De lach moet terug in het bestuursprocesrecht
Proces komt van procedere, hetgeen betekent ‘voortschrijden’ en niet ‘voorthollen’, zo leerde professor Leijten ons in Nijmegen met een glimlach. In de tijd van Cicero kon men hier wellicht nog om glimlachen, maar in onze snelle tijd zal iemand het lachen snel vergaan als het bestuursprocesrecht eerder als tijdrovend obstakel geldt dan als middel om recht te doen. Het is dan ook geen wonder dat het bestuursprocesrecht de laatste tijd efficiënter is geworden en er voorstellen zijn gedaan voor een nieuwe verbeterslag.
Op 1 oktober 2009 is de dwangsom bij niet tijdig beslissen ingevoerd. Is het bestuursorgaan te laat, dan kan het in gebreke worden gesteld en verbeurt het 40 dagen lang dagelijks een boete tot een maximum van 1.240 euro is bereikt. Wrang is dat de overheid in het licht van deze wet een aantal beslistermijnen alvast maar heeft verlengd, soms zelfs verdubbeld! Op 1 januari 2010 is de bestuurlijke lus ingevoerd, die het mogelijk maakt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op formele gronden maar het bestuursorgaan de gelegenheid geeft om gebreken te herstellen. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking getreden die de omgevingsvergunning van rechtswege mogelijk maakt: als het bestuursorgaan na 8 weken nog geen besluit heeft genomen, wordt dat van rechtswege verondersteld. Andere belangrijke verbeteringen voor een beperkt aantal besluiten staan in de Crisis- en herstelwet van 31 maart 2010. Zo is het beroepsrecht voor bestuursorganen beperkt, kan de bestuursrechter niet alleen formele, maar ook materiële gebreken passeren als aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld, is het in bepaalde gevallen niet mogelijk de procedure te rekken door een pro forma beroep in te dienen dat later wordt aangevuld en moet de bestuursrechter binnen zes maanden na de beroepstermijn uitspraak doen. Verder geldt het relativiteitsvereiste: de bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel als die regel of dat beginsel kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Ten slotte kan een bestuursorgaan na vernietiging van een besluit een nieuw besluit in beginsel baseren op de feiten waarop het vernietigde besluit berustte.
Op 24 juli 2010 is een wetsvoorstel ingediend tot Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht). Dit wetsvoorstel bevat onder meer inhoudelijke wijzigingen, gericht op stroomlijning van procedures en bevordering van een effectieve en definitieve geschilbeslechting. Concreet gaat het om stroomlijning van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb (meenemen van nieuwe of gewijzigde besluiten in een lopende bezwaar- of beroepsprocedure), verruiming van de mogelijkheden om gebreken in een besluit te passeren als daardoor geen belanghebbenden zijn benadeeld, aanpassing van de regeling van het horen in bezwaar en administratief beroep en in het klachtrecht, instelling van een zogenaamde ‘grote kamer’ voor belangrijke richtinggevende uitspraken in hoogste instantie, invoering van de mogelijkheid tot het nemen van onafhankelijke conclusies in belangrijke zaken bij de hoogste bestuursrechters, invoering van een relativiteitsvereiste in het bestuursprocesrecht, verruiming van de mogelijkheden tot het enkelvoudig afdoen van het hoger beroep, invoering van de mogelijkheid tot het instellen van incidenteel hoger beroep, invoering van de mogelijkheid voor de hogerberoepsrechter om te bepalen dat tegen een ter uitvoering van zijn uitspraak genomen besluit slechts beroep bij hem openstaat en niet weer bij de rechtbank (de zogehete ‘judiciële lus’) en afschaffing van het mandaatverbod in hoger beroep. In de kabinetsreactie over de derde evaluatie van de Awb en het project ‘Versnelling besluitvorming in het ruimtelijk domein’ is aangekondigd dat een wetsvoorstel zal worden voorbereid met in ieder geval bepalingen over de regiezitting, het beslismodel van de bestuursrechter en de proceskostenveroordeling.
Het Regeerakkoord doet er nog een schepje bovenop. De vergunning van rechtswege wordt uitgebreid, de Algemene wet bestuursrecht wordt versoberd en gemoderniseerd, en de Crisis- en herstelwet wordt permanent gemaakt.
Het lijkt mij een goede zaak dat de wetgever probeert snelheid en definitieve geschilbeslechting in het bestuursrecht te bevorderen. Het zou mooi zijn als de voorgestelde maatregelen ertoe gaan leiden dat burgers of bedrijven straks lachend de rechtszaal verlaten en dat zij die er slechts op uit zijn procedures te gebruiken om te traineren, lachen als de bekende boer met kiespijn.

Reacties
Nieuwe reactie inzenden